Posts tonen met het label Hooghe | Marc. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hooghe | Marc. Alle posts tonen

zondag, juni 23, 2013

Propagandasteunpunt Media

Opmerkelijk bericht in de pers verleden week: in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van verleden jaar kwamen Bart de Wever en Filip Dewinter het meest aan het woord bij de VRT. In totaal zou de N-VA zelfs sterk oververtegenwoordigd geweest zijn vergeleken met de vorige verkiezingsuitslag. Ik kan me voorstellen dat menig lezer nu de wenkbrauwen zal fronsen, maar toch is dit de conclusie van een lang rapport, afgescheiden door de geleerde bollen van Steunpunt Media.

Plukken we even enkele zinnen van de webstek van dat Steunpunt Media: «Het Steunpunt Media is het aanspreekpunt en expertisecentrum voor alles wat met nieuws en media te maken heeft. In opdracht van de Vlaamse Overheid doet het steunpunt wetenschappelijk onderzoek naar nieuwsberichtgeving en mediawijsheid in Vlaanderen. De focus van het onderzoek ligt op de volledige nieuwscyclus: van de nieuwsselectie door de journalist tot de mediakeuze van de mediagebruiker.» Je vraagt je af, wat kan daar nu verkeerd aan zijn? Zo ongeveer alles, zoals blijkt uit Nieuwsmonitor 13.

Schetsen we even de context voor het onderzoek besproken in die Nieuwsmonitor 13. Zo was het de Vlaamse Mediaminister Ingrid Lieten die het onderzoek aanvroeg. Rinkelt er al een belletje? Werkten aan het onderzoek mee: onder andere Stefaan Walgrave en Marc Hooghe. Wie nu nog denkt dat het hele onderzoek geen doorgestoken kaart is om vervolgens alleen enkele «juiste» halve waarheden rond te toeteren, die moet echt al van een heel goed jaar zijn.

Conclusie ≠ inhoud

Wie het rapport opvraagt en vlug doorleest, merkt al snel op dat één en ander niet helemaal in verhouding staat tot wat het korte persbericht de lezer probeert wijs te maken. N-VA oververtegenwoordigd? De partij kreeg slechts 17,2% van de spreektijd op de openbare buis, beduidend minder dan CD&V (20,5%), sp.a (19,8%) en Open Vld (19,6%). Toch concluderen de onderzoekers een beetje zuurtjes dat «de aanwezigheid van N-VA in de media ver boven het electorale gewicht van de partij bij de vorige lokale verkiezingen» lag. Let op: niet een beetje erboven, maar zelfs ver! Hun verklaring hiervoor, en hier komt de aap uit de mouw: «Het is duidelijk dat de verdeling van de aandacht ook was gebaseerd op de peilingen en op de uitslagen van tussenliggende verkiezingen». Ja, stel je voor zeg.

Op hun eigen manier hebben de onderzoekers dus wel gelijk: in 2006 lag het electorale gewicht van de N-VA volgens peilingen ergens rond de 8%, een pak minder dan die 17,2% spreektijd. Maar is het werkelijk ernstig om in 2012 nog terug te grijpen naar de verkiezingen 2006 om de spreektijd «eerlijk» te verdelen, als diezelfde partij in 2010 al rond de 30% zat?

Twee maten

Bovendien, waar is hun klacht over de schromelijke ondervertegenwoordiging van het Vlaams Belang? Die partij kreeg slechts 8,5% van de spreektijd toebedeeld, maar zat in 2006 nog aan 21,5%. In het rapport blijft het daarover oorverdovend stil. Zou het kunnen dat de auteurs –en vooral ook: de opdrachtgeefster– die ondervertegenwoordiging prima vinden? In de plaats daarvan zoomt men in op de spreektijd die Filip Dewinter kreeg. Met zijn 45,1 minuten eindigde hij weliswaar op de tweede plaats na Bart de Wever, maar naar een andere Vlaams Belanger in de top 30 is het vergeefs zoeken. Ter vergelijking: in die top 30 figureren wel twee PVDA'ers: Dirk Tuypens en Peter Mertens, samen trouwens goed voor 36,2 minuten spreektijd en dus wel ruim oververtegenwoordigd.

Mijn conclusie na het doornemen van het rapport is daarom dat de conclusie die de onderzoekers de wereld instuurden op zijn minst tendentieus is, om niet te zeggen totaal misleidend. N-VA was helemaal niet oververtegenwoordigd in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. En als ze al oververtegenwoordigd was, dan was Vlaams Belang zo mogelijk nog sterker ondervertegenwoordigd. Die laatste partij is trouwens ondervertegenwoordigd hoe men de zaken ook keert of draait. De focus op de spreektijd van Filip Dewinter, zowat de enige Vlaams Belanger die aan bod mocht komen, getuigt daarbij niet bepaald van veel goede trouw. Steunpunt Media gedraagt zich dan ook als een ordinair propagandainstrument in handen van Mediaminister Ingrid Lieten. Of kunnen we gewoon stellen dat Steunpunt Media en de Mediaminister twee rode handen op een socialistische buik zijn?

Rood troef

Over socialisme gesproken: het rapport vermeldt wel zijdelings dat PVDA oververtegenwoordigd was, maar gaat er niet verder op in. Vergeleken met Vlaams Belang en N-VA was de partij vijf tot zes keer oververtegenwoordigd. Maar zelfs vergeleken met sp.a en Groen was PVDA twee en een half tot drie keer oververtegenwoordigd. Misschien is dit ook de verklaring waarom Groen voor één keer niet sterk oververtegenwoordigd was?

Mijn lezing van de getallen die Steunpunt Media verzamelde ziet er dan ook een beetje anders uit. Met de verkiezingen van 2010 als ijkpunt was PVDA zeer sterk oververtegenwoordigd op de openbare omroep. Daarna volgen Open Vld, sp.a, CD&V en Groen, die onderling min of meer in verhouding op de buis mochten komen. Tegenover die groep van vier was Vlaams Belang duidelijk ondervertegenwoordigd, N-VA nog meer, en LDD nóg meer. Vergelijken we met de uiteindelijke uitslag voor de provincieraadsverkiezingen verandert het beeld nauwelijks, maar mildert het wel voor Vlaams Belang en PVDA. Sp.a en Open Vld blijven duidelijk in de bovenste schuif liggen bij de VRT.

De Zevende Dag

Het valt trouwens op dat Steunpunt Media inzoomt op de zes weken voor de gemeenteraadsverkiezingen. Had Ingrid Lieten nog een eitje te pellen met de N-VA? Waarom onderzoekt dat Steunpunt Media nooit eens hoe het zit met de spreektijd van de politici buiten de verkiezingsperiode? Het antwoord geven ze (ongewild) zelf: «in de verkiezingsperiode wordt er […] meer gebalanceerd bericht dan in normale tijden». En meer bepaald: «buiten de campagneperiode komen regeringspartijen veel en oppositiepartijen weinig aan bod», aldus eerder onderzoek van henzelf en anderen. Zou het kloppen?

Zelf hou ik al enkele seizoenen bij welke partijen hoe vaak bij De Zevende Dag uitgenodigd worden. Voor het huidige seizoen, van 6 januari tot 5 mei, kwamen 118 politici aan bod. Sp.a staat aan kop, en mocht al 24 keer op zondag naar de studio komen. Ook CD&V (23), Open Vld (21), N-VA (20) en Groen (17) zijn goed vertegenwoordigd. Maar opnieuw zal de lezer opmerken dat er iets niet klopt. Waarom staat de grootste partij van Vlaanderen slechts op de vierde plaats, terwijl het vier keer kleinere Groen bijna op gelijke hoogte op vijf staat? Vlaams Belang werd slechts 8 keer uitgenodigd, LDD mocht 3 keer komen, PVDA 2 keer.

Zondag is bij de VRT daarmee niet alleen de zevende dag, maar vooral toch ook een groene dag. De traditionele partijen komen min of meer naar verhouding aan bod, maar LDD, N-VA en Vlaams Belang worden duidelijk stiefmoederlijk behandeld. Vergeleken met Groen is N-VA ruim drie keer ondervertegenwoordigd, Vlaams Belang zelfs bijna vier keer. We houden dan nog geen rekening met de spreektijd, om over de manier waarop de politici behandeld worden nog maar te zwijgen.

Belgisch volk vaakst

De stelling van Steunpunt Media dat «buiten de campagneperiode regeringspartijen veel en oppositiepartijen weinig aan bod» komen klopt dus niet. N-VA zit alleen maar in de Vlaamse regering, en Open Vld alleen maar in de federale. Toch wordt Open Vld relatief gezien veel vaker uitgenodigd naar De Zevende Dag dan N-VA. Het verschil in behandeling is nog groter wanneer we Groen en Vlaams Belang vergelijken, toch allebei oppositiepartijen. Wie alleen maar naar De Zevende Dag kijkt zou al snel kunnen denken dat Groen dubbel zo groot is als Vlaams Belang. Met de actualiteit heeft dit trouwens niets vandoen, want de scheeftrekking is een constante van seizoen tot seizoen.

Het is dan ook vooral links en Belgisch dat ruim aan bod mag komen op de openbare omroep, campagneperiode of niet. Rechts en Vlaams wordt hoogstens af en toe een beetje getolereerd, als het niet anders kan. Bijvoorbeeld tijdens een campagneperiode, maar alleen maar omdat grote scheeftrekkingen dan net ietsje meer zouden opvallen.

Dit artikel verscheen op 8 mei 2013 in 't Pallieterke.

zaterdag, januari 14, 2012

Eén tegen allen, maar wie tegen wie?

Zolang Groen (toen nog Groen!) deelnam aan de federale onderhandelingen, zag de VRT zich genoodzaakt het beruchte cordon médiatique even in de kast te stoppen. Alleen de N-VA als Vlaamse oppositiepartij uitnodigen tegenover maar liefst vier regeringspartijen was zelfs voor de openbare zender een brug te ver. Maar het veto van Alexander de Croo tegen de groenen zorgde ervoor dat het cordon opnieuw uit de kast gehaald kon worden, en sindsdien is van het Vlaams Belang bijna geen spoor meer te merken in politieke programma's.

Mogen we de cijfers over de politieke genodigden van De Zevende Dag als graadmeter gebruiken voor de vertegenwoordiging van de politieke partijen in de media? Hoewel de basis, slechts 122 politici, ettelijke grootteordes kleiner is dan dat van het bredere onderzoek dat onlangs gepubliceerd werd, zijn de conclusies toch opvallend gelijklopend. Het meest in het oog springend: de sterke ondervertegenwoordiging van de zogenaamde V-partijen, namelijk N-VA en Vlaams Belang. Hoewel de twee partijen samen meer dan veertig procent van de stemmen haalden bij de laatste federale verkiezingen, mochten ze amper een vijfde van de gasten leveren. Wie echter wat meer in detail gaat, en de cijfers per partij vergelijkt, kom al snel tot contrasten waaruit men niet anders kan dan concluderen dat de Vlaamse openbare omroep allesbehalve partijpolitiek neutraal is.

Vergelijk bijvoorbeeld N-VA en Open Vld: hoewel N-VA in 2010 dubbel zoveel stemmen haalde als Open Vld (28,2% tegenover 14,0%), mocht de Open Vld de helft meer genodigden voor De Zevende Dag leveren dan de N-VA (30 tegenover 19). Het argument dat de ene partij in de regering zou zitten, en daarom vaker aan bod zou mogen komen dan de andere, houdt voor deze partijen natuurlijk geen steek. N-VA zit immers federaal in de oppositie, terwijl Open Vld in het Vlaams Parlement op het oppositiebankje moet zitten. Zelfs het argument dat men toch geen twee N-VA'ers tegelijk kan uitnodigen voor eenzelfde debat gaat niet op, want het verklaart nog niet waarom een partij die maar half zo groot is de helft meer keren naar De Zevende Dag mocht komen. Ook CD&V en sp.a, twee andere partijen die een pak minder stemmen haalden dan de N-VA, waren vaker te gast dan de N-VA (respectievelijk 27 en 22 keer). Als we bovendien wat strenger zouden zijn, en het triple-interview vanop de betoging in Linkebeek van 18 september met drie N-VA-kopstukken niet als drie gasten, maar slechts één zouden rekenen, dan komt zelfs Groen, met amper een kwart van de stemmen, in de buurt van de N-VA (14 tegen 17).

Grosso modo kan men zeggen dat de N-VA het afgelopen seizoen slechts de helft van de gasten mocht leveren waar het eigenlijk recht op had, als we tenminste de verkiezingsuitslag van 13 juni 2010 als uitgangspunt zouden nemen. Dit is een sterke ondervertegenwoordiging, maar er was een partij die het met nog minder moest doen. Vlaams Belang werd slechts zes keer uitgenodigd, terwijl het met 12,6% van de stemmen recht had gehad op ongeveer 15 uitnodigingen. Groen, een derde kleiner dan het Vlaams Belang, mocht bijna drie keer meer (14) naar de studio's van De Zevende Dag komen, terwijl LDD, met minder dan een derde van de stemmen van het Vlaams Belang toch nog vier keer uitgenodigd werd.

Het valt bovendien op dat het Vlaams Belang in het begin van het seizoen nog regelmatig te gast was, maar eens Groen de federale onderhandelingstafel verlaten had, was de partij amper nog welkom in de studio's. Misschien ligt het aan mijn slecht karakter, maar zou het kunnen dat men het vóór het veto van Alexander de Croo zelfs bij de VRT toch iets te bar vond om de N-VA als enige federale oppositiepartij tegenover de vier onderhandelende partijen te plaatsen? Eens Groen de federale onderhandelingstafel verlaten had was de situatie natuurlijk radicaal anders: plots kon men twee oppositiepartijen tegenover drie regeringspartijen plaatsen, en dus hoefde men het Vlaams Belang niet meer zo vaak uit te nodigen. Dat één van die twee oppositiepartijen door haar steun aan de staatshervorming toch niet helemaal in de oppositie zat was daarbij natuurlijk een detail waar men de kijker liever niet lastig mee wou vallen.

Het is daarmee duidelijk dat de V-partijen sterk ondervertegenwoordigd zijn, maar bovendien dat die ondervertegenwoordiging het Vlaams Belang veel harder treft dan de N-VA. (Het valt bovendien op dat de Open Vld wel heel erg gunstig behandeld wordt. De lezer die zag hoe Ivan de Vadder bijna letterlijk aan de lippen van Guy Verhofstadt hing zal waarschijnlijk wel begrijpen dat ondergetekende zo zijn vermoedens heeft over waarom dat zo zou zijn.) Maar de recente «klacht» van de N-VA dat de gemeenteraadsverkiezingen een strijd van één-tegen-allen wordt, daaronder te verstaan de traditionele partijen én het Vlaams Belang tegenover de N-VA, strookt dan ook niet helemaal met de waarheid. Als er in de media al een één-tegen-allen-strijd gevoerd wordt, dan nog steeds diezelfde, oude één-tegen-allen-strijd tegen het Vlaams Belang. En twee voorvallen bewijzen dat de N-VA daarbij niet helemaal vrijuit gaat.

Het eerste voorval vond tijdens de reeds vermelde uitzending van de De Zevende Dag van 18 september plaats. De VRT maakte er toen met de N-VA de afspraak dat drie kopstukken van de partij rechtstreeks vanop de betoging in Linkebeek geïnterviewd zouden worden, op voorwaarde dat het Vlaams Belang niet aan het woord zou komen. Dit is een hoogst merkwaardige afspraak, een beetje alsof ik met mijn linkerbuur zou afspreken dat mijn rechterbuur met zijn auto de straat niet meer in zou mogen. Of misschien correcter: alsof de VRT tijdens een milieubetoging drie mindere goden van de sp.a zou interviewen omdat de sp.a-voorzitter zijn kat stuurde, terwijl Groen mét partijvoorzitter en met een grotere delegatie parlementairen in de achtergrond dan maar braaf zou moeten staan koekeloeren. Misschien had de N-VA niet zo heel veel keuzevrijheid omdat het inderdaad ontegensprekelijk in een mini-cordon médiatique zit, maar anderzijds hoefde ze zich achteraf ook niet bij het huilkoor te voegen dat vond dat het Vlaams Belang een afspraak gebroken had waarvan het uiteindelijk toch alleen maar het lijdend voorwerp was. Galant kon men de houding van de N-VA al helemaal niet noemen.

Maar misschien nog meer voor de borst stuitend is de oneerlijkheid rond de recente mediarel over het optrekken van de koninklijke dotatie. Zoals Marc Hooghe opmerkte in De Morgen, maar dan vooral om ervoor te pleiten dat ook de N-VA doodgezwegen had moeten worden, was het wel degelijk het Vlaams Belang dat reeds vóór Kerstmis aan het licht bracht dat die dotatie omhoog ging, en helemaal niet omlaag. De mediarel ontstond echter pas toen Theo Francken van de N-VA deze budgettaire «rekenfout» van de regering–Di Rupo I enkele weken later recycleerde. En opnieuw kan men niet verwachten dat de N-VA een politieke concurrent zou verdedigen of zelfs in de bloemetjes zou zetten, maar, ook opnieuw, erg galant was dit toch weer niet. Je zal maar Barbara Pas heten, en Theo Francken een heel week-end lang in alle mogelijk media zien blinken terwijl je zelf twee weken eerder volkomen doodgezwegen werd. Van de stelling dat in de media een één-tegen-allen-strijd tegen de N-VA gevoerd zou worden blijft, voor wie nog een beetje intellectueel eerlijk wil blijven, niets meer over.

Maar de cijfers vertellen ook dat in Vlaanderen geen mediawetten nodig zijn om te bereiken waar Viktor Orbán in Hongarije waarschijnlijk zelfs nog niet van durft te dromen. Of precies van gruwelt. Het ziet er trouwens niet naar uit dat er in het nieuwe seizoen van De Zevende Dag veel verbetering op komst is. Zo mocht in de eerste aflevering PVDA-voorzitter Peter Mertens opdraven om er zijn boek «Hoe durven ze?» voor te stellen, samen met Dimitri Verhulst die het voorwoord schreef. Het werd een gezellig onder-onsje van een dik kwartier, samen met Indra Dewitte, dochter van een andere PVDA'er en die in een ver verleden trouwens zelf nog op een PVDA-lijst gestaan heeft. En dat allemaal voor een boek waarvan er tegenwoordig uiteindelijk toch dertien in een dozijn verschijnen. Er kan gerust gesteld worden dat de PVDA, nog te klein om haar aanhang in een peiling te kunnen meten, hiermee voor minstens tien jaar oververtegenwoordigd is bij De Zevende Dag. We kunnen ons bovendien niet herinneren dat bijvoorbeeld Gerolf Annemans van hetzelfde voorrecht mocht genieten met zijn boek «De Ordelijke Opdeling van België», maar misschien vond de redactie van De Zevende Dag het onderwerp van dat boek niet actueel genoeg op een ogenblik dat federaal België totaal geblokkeerd zat. Of zou het aan iets anders gelegen hebben?

donderdag, februari 21, 2008

Cursus Hooghere democratie

Robert MichelsMarc Hooghe, professor politieke wetenschappen en één van de leden van de beruchte Pavia-groep, maakte vandaag in een opiniestuk in De Standaard een voorlopige balans op van de in feite nog steeds aan de gang zijnde regeringsonderhandelingen. Van een gewone democratie waarin partijen vooral de belangen van hun eigen kiezers nastreven, en politici het programma van hun partij min of meer volgen, heeft deze professor duidelijk geen hoge hoed op.

Marc Hooghe begint zijn stuk met een referentie naar de Duitse socioloog Robert Michels, die vindt dat politieke partijen zich moeten gedragen als legers, met een sterke leidersfiguur, zodat ze op cruciale ogenblikken met één stem kunnen spreken en ervoor kunnen zorgen dat hun politici zich houden aan de gemaakte afspraken. Waarna hij de Open Vld looft omdat ze geen weerstand hebben geboden tegen de putsch die Guy Verhofstadt begin december uitvoerde, en CD&V uitgebreid door de mangel haalt omdat de partij zich probeerde te houden aan haar verkiezingsprogramma van 10 juni.

De professor is in zijn beoordeling scherp voor de CD&V. Zo over de fameuze reflectiegroep: «Het helpt al evenmin als de leden van die groep zich geen enkele illusie meer moeten maken over hun kansen op het ministerschap.» Ja, wat kan je nu verwachten van een groep politici als ze geen enkel persoonlijk belang meer hebben bij een eventuele regeringsdeelname van hun partij, en daarom moeten terugvallen op ideologie of, stel je voor, dat verkiezingsprogramma dus. Dan gebeurt wat er moest gebeuren: de voorgestelde regeringsakkoorden werden telkens weer te licht bevonden omdat ze nu eenmaal diametraal ingingen tegen het voorbije verkiezingsprogramma. En dat was nu ook weer de bedoeling niet, of waar zou zo'n reflectiegroep eigenlijk toe dienen?

Deze passage maakt overigens al duidelijk dat Marc Hooghe het niet zo nauw neemt met wat wel en wat niet een afspraak is. Een afspraak, dat is bijvoorbeeld een regeringsakkoord waarin men veel toegevingen doet in ruil voor enkele ministerpostjes. Een verkiezingsprogramma waarmee men verkiezingen wint daarentegen, dat is duidelijk geen afspraak, en dus hoeven politici zich ook niet aan die niet-afspraak te houden bij de regeringsonderhandelingen. Makkelijk zat. Goed om te onthouden moest Marc Hooghe het in zijn hoofd halen ooit ergens op een verkiezingslijst te gaan staan.

Als we echter eenmaal aannemen dat verkiezingsprogramma's geen afspraken met de kiezer zijn, dan wordt de volgende passage natuurlijk veel gemakkelijker te begrijpen: «Wie de reeks [«De Zestien is voor u»] aandachtig leest, merkt op dat CD&V heus nog wel politiek toptalent in huis heeft. Ervaren staatslieden als Jean-Luc Dehaene of Herman van Rompuy maakten op elk moment precies de juiste diagnose en zij waren bereid verantwoordelijkheid op te nemen. Dat maakt het des te tragischer dat hun partijgenoten blijkbaar niet bereid waren hun inzichten te volgen.» Verantwoordelijkheid nemen, en het partij- en verkiezingsprogramma met de voeten treden, dat is inderdaad pas staatsmanschap. Dat die steenezels in de reflectiegroep dat nooit begrepen, is inderdaad bijzonder tragisch.

Laten we echter even teruggrijpen naar de metafoor van Robert Michels, en ons voorstellen hoe het CD&V-leger de laatste maanden oorlog gevoerd heeft. Lange tijd heeft de spanning zich immers opgebouwd, tot op 10 juni 2007 eindelijk de beslissing genomen werd met overweldigende bijval: men zou Frankrijk binnenvallen. Een officier van eerder lagere rang en korte staat van dienst probeerde vervolgens het land binnen te vallen, maar mislukte tot tweemaal toe omdat zijn voetvolk er geen zin in had om eerst alle wapens af te geven en vervolgens een omweg te maken langs Italië. Uiteindelijk duiken twee generaals op uit een ver verleden, en besluiten dat het nu maar eens gedaan moest zijn met al die onzin, en ze besluiten resoluut… Polen binnen te vallen. Applaus van Marc Hooghe voor zoveel heldenmoed, en nu het leger al halverwege Warschau is, mag vooral niet van de koers afgeweken worden: een afspraak is immers een afspraak. Dat zoveel maanden geleden iets helemaal anders afgesproken werd, is van geen tel. Het is tenslotte de regering van een land niet die mag (en zeker niet moet!) bepalen aan wie de oorlog verklaard wordt en welk land het leger zal binnenvallen, maar wel enkele oude generaals die erom bekend staan graag voor andermans rekening te rijden. Tot dusver de les in democratisme van Marc Hooghe.

Overigens sluit de kritiek van Marc Hooghe naadloos aan bij de kritiek die Jean-Luc Dehaene dit week-end al gaf in een interview met De Morgen: het basisprobleem was volgens hem dat zijn partij een verkiezingsprogramma had samengesteld dat alleen maar rekening had gehouden met de belangen van de Vlaamse kiezer. Dat is inderdaad iets waar men alleen maar kan van gruwen. Alleen jammer dat de journalist niet vroeg of die kritiek ook van toepassing was op cdH en PS, dan wel of Jean-Luc Dehaene soms denkt dat die twee partijen wél rekening houden met de belangen van de Vlamingen wanneer zij hun programma samenstellen voor de verkiezingen, of bij regeringsonderhandelingen. Ik meen namelijk in de beruchte reeks van De Standaard een passage gelezen te hebben met een uitspraak van Joëlle Milquet die wat dat betreft niet bepaald veel ruimte voor interpretatie overlaat («Oké, geef het [extra geld] dan alleen aan de Franse Gemeenschap.»), maar noch Jean-Luc Dehaene, noch Marc Hooghe, noch een andere Noord-Belgische commentator of «intellectueel» heb ik daar tot nu toe over horen klagen. Of dat de Duitse CDU, het Britse Labour, de Franse PS of de Spaanse PP alleen maar de belangen van hun eigen kiezers nastreven. Alleen in Vlaanderen schijnt het onwelvoeglijk te zijn dat Vlaamse partijen aan hun Vlaamse kiezers beloven de Vlaamse belangen te willen verdedigen, en na de verkiezingen nog willen vasthouden aan die belofte ook. Wat zou dat zeggen over de Belgische democratie? Of die Noord-Belgische commentatoren en «intellectuelen»?

Voor alle duidelijkheid: ik doceer geen politieke wetenschappen aan de KU Leuven of Université Lille-II.

maandag, september 24, 2007

Pavia-onzin over separatisme in de Rand

Wat als: de Rand sluit zich aan bij Wallo-BruxDe «Vlamingen» die vinden dat Vlaanderen grootmoedig moet zijn en voor nog één keer, deze keer de allerlaatste keer, grondgebied moet afstaan aan de Franstaligen, moeten het kaartje hiernaast eens goed bekijken, want dat is de consequentie van hun voorstel: een grote hap uit Vlaanderen die nooit nog hersteld zal kunnen worden. De Franstaligen weten immers verduiveld goed waarom ze Brussel-Halle-Vilvoorde niet willen splitsen zonder compensaties die internationaal gebruikt zullen kunnen worden om nog zoveel mogelijk grondgebied van Vlaanderen af te snoepen bij een eventuele onafhankelijkheidsverklaring. Philippe van Parijs toonde dat vandaag duidelijk aan in De Standaard.

Als Brigitte Raskin verleden week al iets bewees, dan wel dat zij absoluut geen kaas gegeten heeft van geo-politiek in het algemeen en de Belgische communautaire zaken in het bijzonder. Ofwel is zij volkomen naïef, ofwel crimineel naïvistisch, maar hoe dan ook zou zij zich in de toekomst beter onthouden van welke commentaar dan ook over dingen die niet rechtstreeks iets te maken hebben met haar schrijfmachine of vulpen. Dat laatste geldt ook voor Jan Segers, die eerder in Het Laatste Nieuws al een even crimineel voorstel lanceerde om Linkebeek over te leveren aan het «tweetalige» Brussel.

Aan de andere zijde treffen we dan weer Philippe van Parijs aan die vandaag in De Standaard de Vlamingen probeert wijs te maken dat ze een groot deel van Vlaams-Brabant zullen verliezen bij een eventuele onafhankelijkheid. (De krant vergat overigens toevallig te vermelden dat hij één van de twee woordvoerders van de beruchte Paviagroep is.) Hij probeert het bovendien zo voor te stellen dat er «geen enkel geloofwaardig geweldloos scenario voor de opsplitsing van België bestaat waarin Vlaanderen met Brussel zou vertrekken». Misschien begrijp ik hem wel helemaal verkeerd, maar zou hij werkelijk menen dat hij verwacht dat als Brussel voor Vlaanderen zou kiezen, de Franstaligen desnoods geweld zullen gebruiken om dat tegen te houden? Of wat probeert hij eigenlijk te suggereren?

Hoe dan ook, de twee scenario's die hij uitwerkt zijn, in een internationale context gezien, klinkklare onzin, die geen ander doel kunnen hebben dan de Vlamingen de daver op het lijf te jagen en te doen plooien voor de huidige Franstalige eisen, namelijk een status quo. Het eerste scenario is er één waarbij zo'n zestig procent van de inwoners van België zich zou afscheuren van de overige veertig procent, en daarvoor door de Europese Unie verplicht zouden worden om zware financiële compensaties te betalen. Het getuigt in ieder geval van weinig respect voor het zelfbeschikkingsrecht der volkeren wanneer volkeren dat recht moeten afkopen met miljarden euro's, a fortiori wanneer het gaat over een meerderheid die zich «afscheurt» van een minderheid. Maar het wordt nog gekker: aangezien Vlaanderen in dat geval het zelfbeschikkingsrecht der volkeren heeft gebruikt, zou de Europese Unie Vlaanderen verplichten in de grensgemeenten referenda te organiseren, zeg maar het zelfbeschikkingsrecht der dorpen en gemeenten in de praktijk te brengen. Philippe van Parijs werkt dit deel van zijn scenario echter niet verder uit, maar het ware interessant geweest te weten of dorpen en gemeenten die er zouden voor kiezen bij «België» te blijven ook recht zouden geven op een korting op de financiële compensaties die Vlaanderen verplicht zou worden te betalen aan dat «België». En waarom stopt Philippe van Parijs bij dorpen en gemeenten, daarbij het zelfbeschikkingsrecht der wijken, gehuchten, straten, steegjes en woningblokken zomaar naast zich neer leggend? Ik ben geen zeventalige professor in Louvain-la-Neuve én Harvard, en moet het er dus wel met de paplepel ingegeven krijgen.

Hoe dan ook, stel dat we de fusie van 1977 dan toch als een fait accompli zouden beschouwen, en de referenda dus wel degelijk per gemeente worden georganiseerd, dan is het zeer de vraag of de Europese Unie daar wel zo opgezet mee zou zijn. Dat de regeringen van meerdere lidstaten uit vrees voor de eigen minderheden niet bepaald een gat in de lucht zullen springen wanneer Vlaanderen dan toch eindelijk zijn onafhankelijkheid uitroept staat buiten kijf, maar onaanvaardbaar zal die onafhankelijkheid geenszins zijn. Integendeel: die onafhankelijkheid erkennen en zo snel mogelijk tot de orde van de dag weerkeren is al een veel realistischer scenario. Referenda in grensgemeenten daarentegen, vergeet dat maar. Als er één ding is waar de Europese Unie zich zal voor willen hoeden, dan wel dat het een precedent zou scheppen dat door een Hongaarse burgemeester in een Roemeense grensgemeente (om maar iets te noemen) aangegrepen zou kunnen worden om ook een referendum te organiseren. Als Vlaanderen onafhankelijk wordt, dan zal het wel degelijk volgens de huidige gewestgrenzen zijn, en niet anders, tenzij enkele idioten (en ik druk me dan werkelijk heel vriendelijk uit) van het slag van een Brigitte Raskin of een Jan Segers eer het zover is die gewestgrenzen nog zouden weten te veranderen.

Is het eerste scenario met referenda in de grensgemeenten weinig realistisch, ook al zullen de Franstaligen wel degelijk een poging wagen en weten ze wat ze doen als ze de randgemeenten op één of andere manier aan Brussel willen binden, het tweede scenario dat Philippe van Parijs voorstelt is echt helemaal te gek om los te lopen: gemeenten die kunnen kiezen tussen een aanhechting bij Brussel, Vlaanderen of Wallonië, en waarbij na een eventuele overgang de nieuwe grensgemeenten op hun beurt een referendum kunnen organiseren. En, «als we niet opletten, zou het domino-effect de grenzen van Brussel wel eens verder dan Leuven of Louvain-la-Neuve kunnen verleggen,» droomt hij lustig verder. Welke paddestoelen hij dit week-end gegeten heeft weet ik niet, maar ik kan me voorstellen dat een paar Europese regeringen hem bijzonder graag zullen zien afkomen met zulk scenario. Tjonge toch. Ik krijg de laatste dagen mails van Franstaligen die mij aanraden een nieuwe atlas te kopen en klagen dat mijn kaartjes niet realistisch zijn aangezien ze de randgemeenten consequent bij Vlaanderen houden, maar dit scenario van Philippe van Parijs slaat werkelijk alles met meerdere lengtes voorsprong.

Helemaal gênant wordt het trouwens op het einde, wanneer de Pavia-kat op de koord komt en Philippe van Parijs een derde scenario voorstelt, iets beters dan dat verderfelijke separatisme: «het scenario van een federaal België met drie gewesten die van een grote autonomie genieten, trots zijn op zichzelf en respect hebben voor elkaar, en met een slanke maar krachtige federale overheid die electoraal verantwoordelijk is voor het hele land». En welke autoriteit heeft daar eerder ook al op gewezen? Collega-professor Marc Hooghe. Heeft hij waarschijnlijk Philippe van Parijs in het oor gefluisterd tijdens één van de Pavia-vergaderingen, want ook Marc Hooghe is natuurlijk lid van die «denktank». Het zal alleen niet de bedoeling zijn dat de lezer dat verband tussen Marc Hooghe en Philippe van Parijs kent, want het verraad meteen de échte agenda van de twee heren, en dat is er geen van het brengen en objectief verkennen van realistische scenario's voor de toekomst van België.